Rooster Vertel Het Maar 2012
Klik op een datum om de hierbij passende bijbeltekst te lezen
07 oktober - Storm op het meer
Marcus 6 : 45-52
Naar de overkant van het meer 45Meteen daarna gelastte hij zijn leerlingen in de boot te stappen en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda; intussen zou hijzelf de menigte wegsturen. 46Nadat hij afscheid van de mensen had genomen, ging hij de berg op om er te bidden. 47Bij het vallen van de avond was de boot midden op het meer, en hij was alleen aan land. 48Toen hij zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep hij tegen het einde van de nacht over het meer naar hen toe, en hij wilde hen voorbijlopen. 49Toen ze hem over het water zagen lopen, dachten ze dat hij een geestverschijning was en ze schreeuwden het uit. 50Ze hadden hem allemaal gezien en raakten in paniek. Maar hij sprak hen meteen aan en zei: Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang. 51Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Zijn leerlingen waren helemaal van hun stuk gebracht. 52Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren.
14 oktober - Wie is Jezus?
Marcus 8 : 27-37
Marcus 9 : 1-1
Wie is Jezus? 27Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: Wie zeggen de mensen dat ik ben? 28Ze antwoordden: Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent. 29Toen vroeg hij hun: En wie ben ik volgens jullie? Petrus antwoordde: U bent de messias. Noot (8:29) de messias Zie de noot bij Mattes 2:4. 30Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken. 31Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; 32hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. 33Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen. 34Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. 35Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. 36Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? 37Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? 9 1Verder zei hij ook nog: Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt.
21 oktober - De rijken en Gods Koninkrijk
Marcus 10 : 17-31
17Toen hij zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knien viel en vroeg: Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven? 18Jezus antwoordde: Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. 19U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder. 20Toen zei de man: Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden. 21Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem: En ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij. 22Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen. 23Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. 24De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: 25het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan. 26Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: Wie kan er dan nog gered worden? 27Jezus keek hen aan en zei: Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk. 28Petrus nam het woord en zei: Maar wij hebben alles achtergelaten om u te volgen! 29Jezus zei: Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, 30zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven. 31Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.
28 oktober - Op weg naar Jeruzalem
Marcus 10 : 32-45
Op weg naar Jeruzalem 32Ze waren onderweg naar Jeruzalem en Jezus liep voor hen uit; de leerlingen waren ongerust en ook de mensen die hen volgden waren bang. Hij nam de twaalf weer apart en vertelde hun wat hem zou overkomen: 33We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die hem ter dood zullen veroordelen en hem zullen uitleveren aan de heidenen. 34Ze zullen de spot met hem drijven en hem bespuwen en hem geselen en doden, maar na drie dagen zal hij opstaan. 35Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedes, kwamen bij hem en zeiden: Meester, we willen dat u voor ons doet wat we u vragen. 36Hij vroeg hun: Wat willen jullie dan dat ik voor je doe? 37Ze zeiden: Wanneer u heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van u zitten en de ander links. 38Maar Jezus zei tegen hen: Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan? 39Ja, dat kunnen wij, antwoordden ze. Toen zei Jezus tegen hen: Jullie zullen de beker drinken die ik zal drinken en de doop ondergaan die ik zal ondergaan, 40maar wie er rechts of links van mij zal zitten, kan ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie ze zijn bestemd. 41Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, werden ze woedend op Jakobus en Johannes. 42Jezus riep hen bij zich en zei tegen hen: Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. 43Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, 44en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, 45want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.
04 november - Bartimeüs
Marcus 10 : 46-52
46Ze kwamen in Jericho. Toen hij met zijn leerlingen en gevolgd door een grote menigte weer uit Jericho vertrok, zat daar een blinde bedelaar langs de weg, een zekere Bartimes, de zoon van Times. 47Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam, begon hij te schreeuwen: Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij! 48De omstanders snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden, maar hij schreeuwde des te harder: Zoon van David, heb medelijden met mij! 49Jezus bleef staan en zei: Roep hem. Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: Houd moed, sta op, hij roept u. 50Hij gooide zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus. 51Jezus vroeg hem: Wat wilt u dat ik voor u doe? De blinde antwoordde: Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien. 52Jezus zei tegen hem: Ga heen, uw geloof heeft u gered. En meteen kon hij weer zien en hij volgde hem op zijn weg.
07 november - Het mosterdzaad (Dankdag voor gewas en arbeid)
Marcus 4 : 26-34
26En hij zei: Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: 27hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. 28De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. 29Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst. 30En hij zei: Waarmee kunnen we het koninkrijk van God vergelijken en door welke gelijkenis kunnen we het voorstellen? 31Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde wanneer het gezaaid wordt. 32Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen. 33Met zulke en andere gelijkenissen verkondigde hij hun Gods boodschap, voor zover ze die konden begrijpen; 34hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde hij hun alles.
11 november - De vijgeboom en de tempelreiniging
Marcus 11 : 11-26
11Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat hij alles in ogenschouw had genomen, ging hij want het was al laat geworden met de twaalf terug naar Betani. De vijgenboom en de tempel 12Toen ze de volgende dag uit Betani vertrokken, kreeg hij honger. 13Hij zag in de verte een vijgenboom die in blad stond en ging erheen in de hoop iets eetbaars te vinden, maar toen hij bij de boom gekomen was, vond hij geen vruchten; het was namelijk nog niet de tijd voor vijgen. 14Hij zei tegen de boom: Nooit ofte nimmer zal er nog iemand vruchten van jou eten! Zijn leerlingen hoorden dit. 15Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, 16en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. 17Hij hield de omstanders voor: Staat er niet geschreven: Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt! 18De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor hem, omdat het hele volk in de ban was van zijn onderricht. 19Nadat de avond gevallen was, gingen Jezus en zijn leerlingen weg uit de stad. 20Toen ze s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot aan de wortels verdord was. 21Petrus herinnerde zich het voorval en zei: Rabbi, kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is verdord. 22Jezus zei tegen hen: Heb vertrouwen in God. 23Ik verzeker jullie: als iemand tegen die berg zegt: Kom van je plaats en stort je in zee, en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, dan zal het ook gebeuren. 24Daarom zeg ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt, en je zult het krijgen. 25Wanneer je staat te bidden en je hebt een ander iets te verwijten, vergeef hem dan, opdat ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen vergeeft. Noot (11:25) Andere handschriften hebben een extra vers: [26] Maar als jullie niet vergeven, zal ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen niet vergeven. 26
18 november - De pachters van de wijngaard
Marcus 12 : 1-12
12 1Hij begon tegen hen te spreken in gelijkenissen: Een man legde een wijngaard aan en omheinde die. Hij groef een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Hij verpachtte de wijngaard aan wijnbouwers en ging op reis. 2Na verloop van tijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst van hen te ontvangen; 3maar ze grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. 4Daarna stuurde hij een andere knecht naar hen toe, die ze in het gezicht sloegen en vernederden. 5Hij stuurde nog een derde, die ze doodden, en nog vele anderen; sommigen werden door de wijnbouwers mishandeld en anderen werden door hen gedood. 6Ten slotte was alleen nog zijn geliefde zoon over; die stuurde hij als laatste naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. 7Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: Dat is de erfgenaam. Kom op, laten we hem doden, dan is de erfenis van ons. 8Ze grepen hem vast en doodden hem en gooiden zijn lichaam buiten de wijngaard. 9Wat zal de eigenaar van de wijngaard daarna doen? Hij zal zelf komen om de wijnbouwers om te brengen en hij zal de wijngaard aan anderen geven. 10Hebt u deze schrifttekst dan niet gelezen: De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. 11Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien. 12Daarop wilden ze hem gevangennemen, want ze wisten dat hij hen op het oog had bij het vertellen van deze gelijkenis, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte. Dus lieten ze hem staan en gingen weg.
25 november - De wederkomst
Marcus 12 : 28-34
Openbaringen 22 : 18-21
28Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod? 29Jezus antwoordde: Het voornaamste is: Luister, Isral! De Heer, onze God, is de enige Heer; 30heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. 31Het op een na belangrijkste is dit: Heb uw naaste lief als uzelf. Er zijn geen geboden belangrijker dan deze. 32De schriftgeleerde zei tegen hem: Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere god dan hij, 33en hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers. 34Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: U bent niet ver van het koninkrijk van God. En niemand durfde hem nog een vraag te stellen.
02 december - Naomi in Moab (eerste adventsweek)
Ruth 1 : -
Ruth 1 1In de tijd dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn vrouw en zijn twee zonen weg uit Betlehem in Juda, om een tijdlang in de vlakte van Moab te gaan wonen. 2De naam van de man was Elimelech, die van zijn vrouw Nomi, en zijn twee zonen heetten Machlon en Kiljon; het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen ze in Moab waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen. 3Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Nomi, en zij bleef achter met haar twee zonen. 4Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa, die van de andere was Ruth. Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, 5stierven ook Machlon en Kiljon, en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man. 6Toen Nomi hoorde, daar in Moab, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haar twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren. 7Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg waren naar Juda, 8zei Nomi: Gaan jullie nu maar allebei terug naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. 9Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man, en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit 10en zeiden: Maar we willen met u terugkeren naar uw volk! 11Ga terug, mijn dochters, zei Nomi, waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? 12Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld 13zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd. 14Opnieuw begonnen zij te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde. 15Kijk, je schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god, zei Nomi, ga haar toch achterna! 16Maar Ruth antwoordde: Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. 17Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden! 18Nomi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. 19Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem. Hun aankomst in Betlehem baarde veel opzien. Overal in de stad riepen de vrouwen: Dat is toch Nomi? 20Maar ze zei tegen hen: Noem me niet Nomi, Noot (1:20) Nomi Nomi kan worden vertaald als de gelukkige. noem me Mara, Noot (1:20) Mara Mara kan worden vertaald als de bittere. want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. 21Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Nomi noemen, nu de HEER zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan? 22Zo kwamen ze samen terug uit Moab, Nomi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische. Ze kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst.
